Dit is het sprookje "De wolf en de 7 geitjes" maar nu verteld door een "oud" marineman.
Veel leesplezier.
 
 
De wolf en de zeven geitjes,
 
Er waren eens zeven geitjes en een ouwe geit. Iedere avond met vastwerken gingen ze, na het mandiën en in schone barang de wal op met de sloep van half vijf om te passagieren en naar zus te gaan, net zo lang tot ze knijp liepen met de centen.
 
Het was nog lang geen katje vangen geweest en de toelis of de tokobaas wilde niet meer poffen. Daarom ging de ouwe alleen de wal op om sportwitjes en spatoes te verpatsen bij de Chinees. Ze hield zo’n klein beetje “Alle Hens” en zei tegen de jonge geitjes:“Je ouwe moer mot d’r eige effe drukken. Ga nu ondertussen geen kelere zootje schoppen als de eerste de beste baroe. Als de Wolf komt dan zeg je maar dat hij kan zakken. Doe in ieder geval niet open, anders ben je zo ketelaar dit weekend."
 
“Hallo”, zeiden de geitjes, “zien wij zo bleek.”
 
“Safe”, zei de ouwe weer. “Kijk even of mijn kraag recht op m’n baatje zit, dan kan ik nog net de sloep halen. Ik ga gelijk effe langs de kajoe en wat krettek bietsen want m’n strootjes zijn op.”
 
Toen trok de ouwe aan haar stutten en de geitjes gingen eerst even naar de kombuis voor wat makannen en een mok poeroet. Hierna gingen ze aan de bakstafel kassie gooien om een pijpje en alles was krent, totdat er op de deur geramd werd.
 
“Daar heb je het gelazer al” zeiden de geitjes. “We zijn zuur.”
 
“Ja, wattiserloos?” vroeg de moedigste die daarvoor minstens een bintang verdiende.
 
“Maak de pintoe effe open, uitdeketting,” zei de wolf die buiten stond en de geitjes wou lijmen voor een vuile bak.
 
“Je rooie rotmoer, we zijn heus niet mataklap", praaiden de geitjes terug. “Klein beetje Europeaan hoor.” "Dan trap ik de deur in” brulde de wolf.
 
“De gloeiende knijp“, brulden de geitjes terug. “Ze hadden je moeten hangen in de vlaggenmast tussen twee balen hete lucht, brok etter”.
 
De wolf voelde wel dat hij knijp liep en trok aan zijn stutten. Maar even later kwam hij terug en riep met een wijvenstem dat ze de deur maar open moesten maken, want alles was nog toetoep.
 
De geitjes schreeuwden: “Neem je ouwe moer maar in de maling.”
 
Toen was er één zo link te vragen z‘n klauw onder de deur door te steken. Maar de wolf was behoorlijk bij de tijd, want hij stak zijn kak in een baal meel en daarna onder de deur door.
 
Toen schreeuwden de geitjes: “Daar heb je de ouwe met de vette hap. Open de tent maar maatjes." Nou, je begrijpt wel dat ze zich een vet hart schrokken toen de wolf binnen kwam douwen.
 
Toch riep er eentje nog: “Vind je dat normaal?“
 
“Meestal", riep de wolf en nam meteen een duik tussen de geitjes, ramde ze half lens en stompte ze toen rauw in zijn klus.
 
Alleen het jongste geitje was nog zo bij de tijd om in de klok te duiken waar hij harpstijf bleef zitten totdat de wolf zijn kakkies schoon blies.
 
‘s Avonds kwam de ouwe thuis met een stuk in haar kraag als een vorst.
 
“Waar is mijn baksvolk,” brulde ze luid door de whalegangen. Het is al een tijdje overal geweest hoor!”
 
De jongste kwam als een haas op zijn pompoesjes uit de klok en vertelde de ouwe wat er loos was. Nou, die ouwe smerig op d'r zuigerstangen natuurlijk, dat snap je.
 
“Die smerige vetnek", riep ze. “Die bakkies zal ik ‘m wel even afleren. Ze rende naar het kabelgat, gooide de luiwagen en de potten tjet aan de kant en greep een groot nijf uit de bakskast. Hierna trok ze met de kleine naar het wolvenhol waar de Iijer met z‘n dikke pens zwaar plat lag. Toen ze de wolf in de peiling kreeg brulde ze: “Heb jij m’n puppies opgevreten, brok ellende?"
 
De wolf schrok zich het zee-bonken-lazerus en sprong wel ’n meter van z’n tampat.
 
“Helemaal niet", zei hij gauw. “een tijdje de eerste wacht geperst hoor."
 
“Hij liegt dat hij barst", zei de kleine geit. “Hij gaat amper over z’n nek van de vette hap.”
 
“Snap ik”, zei de ouwe en gaf hem gelijk een puist voor z’n haren zodat hij over z’n nek ging en de geitjes, voor noppes met hun platte bek op het dek het stuiterden.
 
“Nou mannen”, commandeerde de ouwe, “aantreden voor baksgewijs en verplicht joelen met ontbloot hoofd. Laat ik je niet schaken zonder veer in je pet Want dan kom je bij de 0.0. van Pol op parade.”
 
“Wat doen we met dat misbaksel”, zei de jongste geit en wees op de wolf.
 
“Gooien we hem van de eerste de beste tjot of pleuren we hem van het halfdek?”
 
Toen grepen ze de wolf, vulden z’n pendek vol met karang en zwiepten hem, midscheeps, “één twee drie in godsnaam” over boord, de kali in.
 
“Aftrap”, zei de ouwe, “die gaat bij Gerrit aan de bak schaften.”
 
“Kom mannen, het is kooien af geweest”.
 
En na taptoe vlaggenparade was alles weer in diep rust verzonken.
 
 
 
Met korpsgroet Dries v.d. Meulen
Webmaster